Boulder termen voor beginners – deel 2

pofzak_first_ascent

Heb je je core al getraind, de eerste jumpstart al geprobeerd en dyno’s geoefend? Ben je klaar voor nog meer termen die je wilt begrijpen? Als je deel 1 gemist hebt, klik dan hier.

Soms worden er met termen gegooid die specifiek op boulderen slaan. Het is iets wat je van anderen leert of alleen kunt weten door zelf op research te gaan. Bij deze een lijst met -naar mijn mening- de belangrijkste termen voor beginnende boulderaars! – deel 2.

Hier zijn weer 25 termen in het Engels met soms het Nederlandse woord erachter. Op alfabetische volgorde:

  1. Beta: Informatie over hoe je een specifieke probleem klimt, meestal verwijzend naar de beste/makkelijkste manier.
  2. Body Position / Lichaamspositie: De positie van je lichaam ten opzichte van de hand en voetgrepen.
  3. Circuit: Een verzameling problemen van een gelijkwaardig moeilijkheidsgraad of een lang probleem dat je binnen klimt om uithoudingsvermogen te trainen.
  4. Fontainebleau: De bekende bouldergebied in het zuiden van Parijs, Frankrijk. Ook een systeem voor het graderen van boulder problemen, de moeilijkheidsgraad wordt vaak voorafgegaan met ‘Font‘.
  5. First Ascent: De eerste keer dat een boulder probleem wordt beklommen.
  6. Friction / Frictie: De kracht gecreëerd wanneer huid of rubber op de rots wordt gedrukt.
  7. Heel Hooking: De hiel van de voet op een greep plaatsen, alsof het een extra hand is.
  8. Matching, Sharing / Delen: Met beide handen één greep vasthouden.
  9. Morpho: Een klim of beweging waarvan de moeilijkheid sterk afhangt van de lichaamsvorm of -grootte van de klimmer. Deze term wordt vaak gebruikt als ‘moeilijk voor korte mensen’.
  10. Open Hand: Een greep grijpen waarbij alleen de vinger licht gebogen zijn.
  11. Over Gripping: Met je handen harder dan nodig grijpen, waardoor je kracht en energie verspilt.
  12. Palming / Palmen: Met de handpalm drukken op de rots/greep.
  13. Parkour, Free running: Een fysieke discipline waarbij je langs obstakels beweegt door te rollen, rennen, klimmen, en springen.
  14. Pinch: Een handgreep die je tussen je vingers en duim vast houdt door te knijpen.
  15. Pocket: Een gat in de rots/greep die gebruikt kan worden als een hand- of voetgreep.
  16. Reading / Lezen: Analyseren hoe je een probleem moet klimmen.
  17. Rockover: Het plaatsen van je voet op een hoge greep waarop je uiteindelijk gaat staan, door een combinatie van trekken met je armen en duwen met je benen. Klik hier voor een voorbeeld video of kijk onder dit artikel.
  18. Roof / Dak: Een horizontale gedeelte van de rots.
  19. Run and Jump / Ren en spring: Een dynamische techniek waarbij je 1: rent naar de rots/muur, 2. afzet tegen één of meerdere voetgrepen en 3. springt naar de handgrepen.
  20. Send: Het succesvol klimmen van een probleem.
  21. Sit Start / Zitstart: Je begint een probleem vanuit een zittende positie, afgekort SS of SDS (sit down start).
  22. Slab: Een muur/rots die minder steil (van je af) is dan verticaal.
  23. Static / Statisch: Een langzame, gecontroleerde beweging.
  24. Technical / Technisch: Een probleem dat een hoge standaard van techniek en beweegvaardigheden vereist.
  25. Velcros: Klimschoenen die je vast kan maken met klittenband.

Voorbeeld van 17. Rockover:

De termen zijn gekozen uit deze lange lijst met bouldertermen (threerockbooks.com – Engelstalig), die op hun beurt een boek hebben geraadpleegd (Bouldering Essentials door David Flanagan – Engelstalig). De termen en uitleg in dit artikel zijn zorgvuldig vertaald naar het Nederlands.